In café Geduld is het altijd fijn.
Vol en gezellig.
Baco en de Herder zingen achter de bar mee met de jaren vijftig-dames die uit de boxen klinken.
Aan de bar eet ik een pepersteak.
Eigenlijk eet ik geen vlees, maar ik ben de lafste vegetariër van het land.
“Ik drink nooit meer,” zei ik tegen vriendin F., toen ik naast haar aan de bar op een kruik klom.
“Was het leuk?” vroeg ze.
“Mwoa,” zei ik. Ik bestelde een thee.
Het was wel leuk. Heel leuk zelfs, ik word altijd alleen zo verdomde melancholisch tegen vieren. Ik was maar de kroeg uit geslopen. Lekker naar huis zwengelen op de fiets en dan naar bed met een emmer ernaast.
“Ik ga dat dus nooit meer doen,” zei F. “Een maand niet drinken.”
“Heb jij een maand niet gedronken?” vroeg ik verbaasd.
“Ja. In januari. Maar dat doe ik dus ook nooit meer.” Ze stak haar hand op voor nog een bier.
“Als je maand niet gedronken hebt ga je daarna alleen maar meer drinken,” vervolgde F. haar verhaal. “Ik heb die hele maand-niet-drinken de afgelopen week netjes ingehaald.”
Ik zit dus aan een pepersteak met een kopje thee.
We proosten.
“Op de liefde dan maar?” opper ik verveeld.
“Waarom proosten mensen eigenlijk nooit ergens tegen?” vraagt F.
We eten aan de bar. Het is druk en de andere wachtende koppels kijken allemaal veel ongelukkiger dan wij. Maar ja, F. en ik hebben dan geen relatie. Ja, nee, we hebben er wel een, maar niet met elkaar.
“Heb jij ook zo’n hekel aan van die walgelijk gelukkige stelletjes?” vraagt F.
“Ja,” zeg ik, “best wel. Ik geloof ze ook nooit, van die gelukkige mensen. Ik denk altijd dat ze liegen. Of dat ze zelf niet door hebben dat het eigenlijk helemaal niet kan, bij mensen, een euforische relatie. Op een dag dan kom je er toch achter dat je als mens eigenlijk altijd alleen maar op jezelf let. Júíst in een walgelijk gelukkige relatie.”
Ik verslik me in een stukje steak. F. klopt me op de rug.
“Ik ben anders kei-gelukkig,” zegt Baco Pirelli in het voorbijgaan, hij rent met drie borden in zijn hand de zaak in.
“Ja maar, jij hebt al zoveel ongeluk gehad dat jij dat nu wel moet,” zeg ik.
“Ja,” zegt F. “Karmisch gezien.”
“Ach dames,” zegt Henk de Herder terwijl hij onze tafel afruimt. “Jullie hebben makkelijk praten met die relaties van jullie. Ik val op heteroseksuele mannen. Los dat maar eens op.”
“We zijn allemaal verwende decadente kleuters,” zeg ik.
Ik bestel een Licor 43 bij het toetje. Ik ben een laffe niet-drinker.
“Tegen de walgelijk gelukkige liefde,” zegt F.
“Juist,” zeg ik.
“Nee,” zegt de Herder, “tegen de nadorst.”
“Juist,” zegt Baco.
We proosten. We kijken naar de stelletjes die na hun zwijgend genuttigde maaltijd het café alweer verlaten.
“Het komt wel goed,” zeg ik tegen de Herder. Ik tap hem op zijn hand.
Baco poetst de bar. “Geduld is een schone zaak,” mompelt hij.
Inderdaad.
Gelukkig weten wij heus wel precies hoe het zit: dat leven.
Toch?
Ach ja.
Tot die tijd zitten we hier, in café Geduld.









